Rouwverwerking na miskraam: je doodgeboren kind wel of niet zien

Drie dagen na het verlies van Queralt begon ik ‘haar te zoeken’. Ik wilde de rouwverwerking nog niet in. Ik wilde op een of andere manier dicht bij haar voelen. Hoe dan ook. Ik zocht haar echo’s, ik zocht dingen om haar te herinneren. Maar ik had niets. Ik had geen kleertjes gekocht, ik had niets materieels. En ik had ook geen beeld van haar in mijn hoofd, ik wist niet hoe haar gezicht eruit zag of hoe ontwikkeld haar lichaam was. Ik vroeg me af: was ze veel kleiner dan de palm van mijn hand? Waren haar kleine vingers reeds gevormd? Had ik haar handje tussen mijn duim en wijsvinger kunnen strelen? Met al deze vragen ging ik op het internet om afbeeldingen te zoeken van vijftien weken oude foetussen. Eerst vond ik een groot aantal foto’s die niets te maken hadden met wat ik wilde: abortussen, misvormingen en dingen die ik me niet kan herinneren. Maar na een tijdje vond ik ook de beelden van een Amerikaanse vrouw die foto’s van zichzelf had genomen met haar kind, die op negentien weken zwangerschap te vroeg was geboren.

Het waRouwverwerking na miskraam: Walter Joshua Fretz (c) F2 Photographyren erg liefdevolle foto’s, van de moeder met haar kind op haar borst, de moeder die een handje met haar vinger raakt, de vader met zijn kind, de zusters met hun broertje. Dezelfde foto’s die elke moeder met een levend geboren kind zou nemen, maar dit kind was klein, had roodachtige maar licht doorschijnende huid, en je kon zijn aderen zien.

Toen besefte ik de fout die ik had begaan toen ik besloot dat ik Queralt na de bevalling niet hoefde te zien. Toen wenste ik dat ik haar wel had gezien, dat ik haar had aangeraakt, dat ik foto’s van haar had gemaakt. Hoewel Queralt kleiner zou zijn geweest en minder ‘gemaakt’ dat dat kind –ze was immers vier weken ‘jonger’–, en hoewel haar kleur misschien paars was en haar huid aangetast door de drie weken dat ze dood in het vruchtwater had gelegen, hoe dan ook, dacht ik dat ik me had vergist. Ik dacht dat ik haar had kunnen aanraken, alleen maar aanraken. Ik had mijn ogen dicht kunnen houden en haar handje aanraken, en dan haar hoofdje, en zodra ik haar met mijn handen had gevoeld, had ik kunnen besluiten of ik mijn ogen durfde te openen of niet. Ik had ook een foto kunnen maken, of iemand kunnen vragen om er een te nemen, zodat ik later kon beslissen of ik haar wilde zien. Er waren zo veel mogelijkheden, maar ik had ze allemaal verspild omdat —toen ik mezelf in die situatie vond—ik niet bereid was om de vraag of ik mijn dochter wilde zien te beantwoorden. Een vraag die ik zonder meer gevraagd werd, zonder verdere uitleg.

Wat ik wel werd uitgelegd, was dat als je zwangerschap de twintig weken niet heeft bereikt, je kind niet als ‘persoon’ genoeg wordt beschouwd. Daardoor krijg je het lichaam van je kind niet, en kun je het dus niet begraven of cremeren. Als het de twintig weken niet heeft bereikt, houden ze het en verwijderen ze het op dezelfde manier waarop ze zich ontdoen van alle chirurgische resten (een weggesneden orgaan, een tumor…).

Dus toen ik slechts dat wetende werd gevraagd: Wil je haar zien? Vroeg ik: Hoe zal ze eruit zien? Hoe zal ze zijn? En de vroedvrouw zei: Ze zal waarschijnlijk heel paars en misschien misvormd zijn omdat ze nu al drie weken dood is.

Toen zei ik dat ik haar niet hoefde te zien.

Ik kon me ook niet voorstellen hoe dat ‘haar zien’ zou zijn. Ik dacht dat het betekende dat als ze eruit kwam, ze haar ofwel naar me konden brengen of gewoon wegnemen. En dat er geen optie meer was. Maar ze kwam niet uit zoals ik had gedacht. Ze kwam niet uit op dezelfde manier als wanneer je van een levend kind bevalt, wat de ervaring die ik kende was. Wanneer de bevalling normaal is, en het kind levend is geboren, doen ze wat tests, ze schonen het een beetje, ze kleden het aan en leggen ze het op je borst meteen, zodat je het kunt omhelzen.

Queralt kwam samen met de placenta en gedekt door de vruchtwaterzak. Ik beviel niet van een heel klein meisje alleen –dat was wat ik me had voorgesteld–, ik beval van een meisje in een vruchtwaterzak die verduisterd was door drie weken van levenloosheid. Er was niets te zien, dus. En toen mijn moeder –die die hele avond bij mij was– me vertelde dat wat eruit was gekomen de zak was en dat het meisje nauwelijks te zien was, dacht ik: beter zo, dan, een nauwelijks zichtbaar meisje opgesloten in een donkere vruchtwaterzak, dat hoef ik niet te zien. Op dat moment kwam niet bij me op dat ze haar uit de zak konden krijgen, dat ze haar schoon konden maken en dat ze haar later naar me konden brengen om haar rustig te kunnen zien. En aangezien ik een paar minuten na de bevalling flauwviel en daarna de curettage (met anesthesie) kreeg en ook al die angst voelde die ik hier beschreven heb, heb ik toen dus niet meer nagedacht over de mogelijkheid van Queralt zien.

Ik miste informatie. Ik miste iemand die tegen mij zei: “als ze geboren is, zullen we haar meenemen, haar schonen (ze moesten het toch doen voor de autopsie) en, als je wilt, als je wat hersteld bent, kunnen we haar even naar je toe brengen zodat je haar kan zien. Je hoeft het nu niet te beslissen, ik vraag het je later wel weer. We kunnen haar ook brengen, en ik kan je vertellen hoe ze is, haar kleur, hoe het voelt om haar aan te raken, hoe haar gezicht eruit ziet, en dan kun je beslissen of je haar wilt zien.” Dit is wat ik heb gemist.

Als iemand mij dit had verteld, zou ik zeker hebben besloten om haar te zien, of haar aan te raken. Als iemand mij dit had verteld, zou ik de rouwverwerking anders hebben beleefd, en zou het voor mij misschien een beetje minder moeilijk zijn geweest om die volgende dagen door te staan, die dagen waarop de leegte en de hulpeloosheid je slaap en eetlust en hoop wegnemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *